COLUMN | Uit de kast

28/03/2018 - 09:18
Beeld: Pepijn Keppel
Ik word wakker met een opmerkelijk bericht. Een jongen die ik vroeger hockeytraining gaf wil bellen. Natuurlijk, stuur ik terug. Zijn ademhaling klinkt hijgerig, maar niet op een seksuele manier. Bij iedere ademteug probeert hij zijn tranen te onderdrukken. Of te ontkennen dat die er zijn.
“Hey vriend, hoe is het met je?”, vraag ik. “Goed, goed”, klinkt het van de andere kant van de lijn. Hij weet zelf ook dat dat antwoord niet klopt. Zijn stem klinkt zwaarder dan twee jaar geleden. Toen was hij nog een vroege puber. Nu een prille man.  
 
De jongen komt meteen ter zake. “Was jij ook zo onzeker, op mijn leeftijd?” Ik probeer zijn hijgerige stem weg te denken. “Iedereen is onzeker. Je bent je er alleen voor het eerst écht bewust van.” Hij kucht en hoest erachteraan. “Ik bedoel, of je wel zeker wist dat je op mannen viel.”
 
Ik vertel hem dat ik dat niet zeker wist. Wel dat ik steeds meer bewijsmateriaal verzamelde. Dat ik die jongen uit de klas spannender vond dan het meisje dat ernaast zat, bijvoorbeeld. “Zolang ik bewijsmateriaal verzamelde had ik hoop.” 
 
“Hoop?”, vraagt hij. 
 
“Ja, hoop. De hoop dat er een meisje was waar ik wél verliefd op werd.” Het wordt stil. 
 
“Ben je er nog?”
 
Na wat geritsel en gekuch komt antwoord. “Sorry, ja. Ik ben er nog.”  
 
Hij vertelt dat hij onzeker is, of hij op vrouwen valt. En niet weet met wie hij moet praten. “Is het een fase?” Op alle vragen weet hij zelf het antwoord. “Het belangrijkste is dat jij het kan accepteren”, zeg ik. “Kan je tegen jezelf in de spiegel zeggen dat je homo bent?” Weer bleef het stil.
 
“Ik moet nog even nadenken.” 
 
Het is geen makkelijke weg, vertel ik. Uit de kast komen is voor iedereen lastig. Voor sommigen zelfs zo lastig dat ze het pas durven als ze grijs zijn. Er zijn ook jongens en meisjes die uit de kast komen onzin vinden. Die zien wel wie ze mee naar huis nemen. Dat lijkt me voor hun familie best ingewikkeld.
 
Voordat hij ophangt zeg ik dat hij altijd mag bellen. Hij ademt voor het eerst diep uit. En daarna niet hijgerig in. “Bedankt, Pep.” “Geen dank, vriend.”
 
Ik lig in bed het laatste nieuws te bekijken. Als ik mijn telefoon aan de lader wil leggen licht het beeldscherm op. “Ik heb het tegen mijn ouders gezegd. Ze waren heel blij, mams en mijn zusje moesten huilen.” Ik stuur een rood hartje terug. 
 
Pepijn schrijft ieder weekend een column voor de Gaykrant, voortaan verschijnen zijn columns ook geregeld op ZiZo.
Bron: 

Eigen verslaggeving