Jaroussky in de onderwereld

20/03/2017 - 08:51
4
Amper vier maanden na de release van het alombejubelde album met Bach-cantates heeft Philippe Jarrousky al een nieuw album uit, ‘La Storia di Orfeo’. Je kan de man dus moeilijk betichten van luiheid, want ondertussen toert hij met twee verschillende programma’s door Europa.

Het nieuwe project is een eigenzinnige muzikale interpretatie van de mythe van Orpheus en Eurydice. Jarrousky grijpt terug naar drie van de oudste operaversies ervan en maakt er een mini-opera van in kamerformaat. De referenties zijn de werken van respectievelijk Claudio Monteverdi (1607), Antonio Sartorio (1672) en Luigi Rossi (1647). De versie van Monteverdi was een van de allereerste barokoperas, terwijl Sartorio de zogenaamde opera seria inluidde.
 
Het idee om de drie te combineren is geweldig. Hoewel de opera van Rossi een ongekend succes was, duurde hij met zijn vijftig aria's meer dan zes uur en was de productie peperduur. De versie van Jaroussky duurt een gelukzalige vierenzestig minuten en is mede door deze gebaldheid een zegen voor het oor.
 

Kantate voor twee stemmen en koor

Alle nevenpersonnages worden geschrapt en de kameropera focust op de twee hoofdfiguren, Orpheus en Euridice. Daardoor wordt het een cantate voor twee stemmen en koor. De aria’s en koren van Sartorio en Rossi worden gebruikt om het prille geluk van de verliefde protagonisten te schilderen, terwijl Monteverdi zich concentreert op de zoektocht naar Euridice in de onderwereld.
 
Het orgelpunt van deze opname is het magische ‘Possento Spirto’ (Monteverdi) dat hier bij mijn weten voor de allereerste keer op plaat door een contratenor wordt geïnterpreteerd.
 

Schaduw

Philippe Jaroussky is zoals steeds bijzonder goed bij stem. Hij laat heel bewust vocale acrobatieën achterwege en klinkt sober, beheerst en akelig zuiver. Hij wordt bijgestaan door de Hongaarse sopraan Emőke Baráth. Hun timbre, kleur en stemhoogte liggen zo dicht bij elkaar dat ze tijdens de duetten als wijnranken met elkaar vergroeien en zo op sublieme wijze de innige liefde van de protagonisten verbeelden. Mooi is een understatement, en ik had bijna ‘pure bel canto’ geschreven, had deze term niet pas 200 jaar na Monteverdi uitgevonden geweest. Diego Fasolis zorgt dankzij een strakke en sobere begeleiding voor een orkestrale ondersteuning die het drama ondersteunt.
 
Alles aan deze productie is af en ‘La Storia di Orfeo’ is zeker opnieuw een parel in de reeds rijke kroon van Philippe Jaroussky. Het enige nadeel is dat de plaat veel te snel uitkomt na het sublieme ‘Bach - Telemann: Sacred Cantatas’. Ik ben nog steeds niet helemaal bekomen van de perfectie van die plaat, die ik nog steeds regelmatig beluister. ‘Orfeo’ zal door deze overhaaste release steeds in de schaduw ervan staan.

‘La Storia di Orfeo’, Philippe Jaroussky, Emőke Baráth, Diegem Fasolis, Erato, 2017.
Bron: 

Eigen verslaggeving

Hier niet op klikken aub